Meervoudige Intelligentie en hoogbegaafdheid (2)

Dini van den Heuvel

Zoals ik in Signaalkrant34 heb beschreven wijkt H. Gardners idee over intelligentie af van de gangbare opvatting van veel psychologen. Volgens hem gaat men er in onze westerse samenleving te gemakkelijk vanuit dat intelligentie een constructie en capaciteit is die op grond van een aantal korte vragen en antwoorden kan worden beoordeeld. Dat is dan ook mogelijk gemaakt voor de linguïstische, de logische en de ruimtelijke intelligentie en dat is volgens Gardner niet reëel.

Verkeerde vooronderstellingen

Op de eerste plaats gaat men volgens Gardner bij het opplakken van het etiket intelligentie van twee heel verkeerde vooronderstellingen uit

  • We weten precies hoe we intelligentie moeten beoordelen
  • En het vaststellen van intelligentie is teveel een oordeel met blijvende waarde.

Verder zijn volgens hem slechts bepaalde aspecten van de linguïstische, logische en ruimtelijke intelligentie snel en eenvoudig te meten, maar vele anderen niet.
Bijvoorbeeld hoe overdenkt iemand eerdere dilemma’s bij een nieuwe belangrijke beslissing zodat deze verstandig is? Of hoe kan iemand de weg vinden op onbekend terrein of zich de weg herinneren naar een plek waar hij een tijdje geleden is geweest?

Bezwaren

Ook kleven er nog allerlei andere bezwaren aan intelligentietests. Het gevaar is erg groot dat vooral linguïstische intelligentie gemeten wordt in plaats van vaardigheden op een bepaald gebied omdat het bij veel tests van groot belang is hoe je een vraag leest en begrijpt.

Bovendien wordt er al te gemakkelijk een waarde oordeel uitgesproken over de uitkomst van een test. Een lage IQ score kan storend werken, maar ook iemand heeft een groot ruimtelijk inzicht, maar op linguïstische intelligentie scoort hij laag kan beperkingen opleveren.

Kwantitatieve beschrijving van intelligenties

Allemaal redenen voor Gardner om geen tests te ontwikkelen om de door hem benoemde intelligenties te meten. Voor een kwantitatieve beschrijving van de intelligenties van een kind vindt hij dat het kind systematisch geobserveerd moet worden in een rijke omgeving waar het zich thuis voelt. Om te beginnen zullen leerkrachten zich op de hoogte moeten stellen van de achtergrond, de interesses, angsten, ervaringen, en de manier van leren waaraan een bepaalde kind de voorkeur geeft. Goede leerkrachten doen dit al, maar het kan nog beter volgens Gardner door aan de hand van de structurele aanpak van meervoudige intelligentie een eerste selectie te maken van de 8 intelligenties van een kind. De sterke en zwakke kanten van het kind te beschrijven en deze beschrijving regelmatig te actualiseren omdat de ontwikkeling van een kind niet stilstaat.

Gardner heeft dus geen tests ontwikkeld om meervoudige intelligenties in kaart te brengen. Wel geeft hij aan hoe leerkrachten, door structurele observaties van kinderen in hun dagelijkse omgeving, in staat zullen zijn hun onderwijs beter aan te laten sluiten bij de mogelijkheden van een kind.

Tot zover deze aanvulling van bovengenoemd artikel in Signaalkrant 34 naar aanleiding van enkele vragen die ik kreeg. Bedankt voor de reacties. Het artikel uit Signaalkrant 34 is te lezen bij : meervoudige intelligentie en hoogbegaafdheid

Riel, juli 2004


Literatuur:

Frames of Mind. The Theory of MI door H. Gardner.
Uitg. Heinemann, Londen 1984. ISBN 0434 28245 6

Soorten intelligentie: meervoudige intelligenties voor de 21ste eeuw door H. Gardner.
Uitg. Ned. Vert. Nieuwerzijds Amsterdam 2002. ISBN 90 5712 133 6

Intelligentie en Sociale competentie. Red. W. Tomic en H. van der Molen.
Uitg. Open Universiteit, Swets & Zeitlinger 1997 ISBN 90 265 14190